ECLI:NL:CRVB:2007:BA6648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging werkzaamheden
Appellante sloot op 2 december 2004 een overeenkomst waarbij zij als administratief medewerkster werd gedetacheerd bij een bedrijf. Kort na aanvang gaf zij aan dat de werkzaamheden niet aan haar verwachtingen voldeden en verrichtte tijdelijk andere taken. Op 27 december 2004 meldde zij telefonisch dat zij per 1 januari 2005 niet meer zou werken bij het bedrijf.
De werkgever bevestigde per brief dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2005 werd beëindigd. Appellante vroeg op 20 januari 2005 een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij het initiatief zou hebben genomen te stoppen terwijl zij had kunnen blijven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante had ingestemd met de beëindiging en had moeten proberen haar dienstbetrekking voort te zetten. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet zelf het initiatief had genomen, maar dat het bedrijf haar had ontslagen. De Raad oordeelde dat niet met zekerheid vaststaat wie het initiatief nam, maar dat appellante passief heeft meegewerkt aan de beëindiging door geen pogingen te doen haar werkzaamheden voort te zetten.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat appellante de verplichting uit artikel 24 WW Pro heeft geschonden om verwijtbare werkloosheid te voorkomen. Er was geen sprake van zodanige bezwaren tegen voortzetting dat dit redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellante passief heeft meegewerkt aan de beëindiging van haar werkzaamheden.