ECLI:NL:CRVB:2007:BA6649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering na ontslag wegens plichtsverzuim
Appellant werd ontslagen wegens plichtsverzuim en vroeg op 24 juni 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering vanwege het niet voldoen aan de wekeneis en later wegens verwijtbare werkloosheid. De Raad oordeelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld bij de weigering van de uitkering met ingang van 11 augustus 2003, omdat niet is aangetoond dat de feitelijke grondslag juist was en onvoldoende is gemotiveerd.
Voor de periode vanaf 31 december 2003 bevestigt de Raad dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door herhaald plichtsverzuim, ondanks waarschuwingen en kansen tot toelichting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant redelijkerwijs moest begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden en dat geen verzachtende omstandigheden aanwezig waren.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak, verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat het UWV en de minister opnieuw moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan appellant toegekend en griffierechten deels vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd en het UWV en de minister moeten opnieuw beslissen.