ECLI:NL:CRVB:2007:BA6720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vermindering WW-uitkering wegens uitgesteld vervroegd pensioen gegrond verklaard
Appellant, geboren in 1945, werkte tot 1999 bij Shell en ontving na zijn 55e een uitgesteld vervroegd pensioen bestaande uit een levenslang ouderdomspensioen en tijdelijke uitkeringen tot 65 jaar. Na het faillissement van zijn latere werkgever vroeg hij in 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV bracht het pensioen in mindering op de WW-uitkering, wat appellant betwistte met het argument dat het om een particuliere lijfrente ging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep schorst het onderzoek en vraagt nadere onderbouwing van de pensioenregeling. Appellant levert deze niet aan. Het UWV past vervolgens haar standpunt aan en kwalificeert het pensioen als een overbruggingsuitkering volgens de regeling Gelijkstelling.
De Raad oordeelt dat het uitgesteld vervroegd pensioen een uitkering is die voortvloeit uit de dienstbetrekking en bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend. Dit oordeel staat los van het feit dat appellant na 55 jaar nog werkte als taxichauffeur. De Raad vernietigt het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand, waardoor de WW-uitkering terecht is verminderd.
Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant wordt terecht verminderd wegens het ontvangen uitgesteld vervroegd pensioen.