ECLI:NL:CRVB:2007:BA6882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling langdurigheidstoeslag bij inkomsten uit persoonsgebonden budget voor verzorging gehandicapt kind
Appellanten, ouders van twee gehandicapte kinderen, ontvingen sinds oktober 1995 een inkomen niet hoger dan de bijstandsnorm. Zij verzorgden hun kinderen deels zelf en ontvingen daarvoor een vergoeding uit het persoonsgebonden budget (PGB) dat aan hun kinderen was toegekend op grond van de AWBZ.
In 2004 vroegen zij een langdurigheidstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College wees deze aanvraag af omdat appellante inkomsten uit arbeid had ontvangen via de PGB-vergoedingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellanten gingen in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de vergoeding uit het PGB aan appellante als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd, omdat het een financiële tegenprestatie is voor de verzorging die zij heeft verricht, waarover loonheffing wordt ingehouden. De Raad verwijst ook naar een brief van de Staatssecretaris waarin wordt gesteld dat PGB-uitkeringen aan gezinsleden die verzorging verrichten als inkomen gelden.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat de PGB-vergoedingen als inkomen uit arbeid worden beschouwd.