ECLI:NL:CRVB:2007:BA6882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2497 WWB, 06/2503 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling langdurigheidstoeslag bij inkomsten uit persoonsgebonden budget voor verzorging gehandicapt kind

Appellanten, ouders van twee gehandicapte kinderen, ontvingen sinds oktober 1995 een inkomen niet hoger dan de bijstandsnorm. Zij verzorgden hun kinderen deels zelf en ontvingen daarvoor een vergoeding uit het persoonsgebonden budget (PGB) dat aan hun kinderen was toegekend op grond van de AWBZ.

In 2004 vroegen zij een langdurigheidstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College wees deze aanvraag af omdat appellante inkomsten uit arbeid had ontvangen via de PGB-vergoedingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellanten gingen in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat de vergoeding uit het PGB aan appellante als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd, omdat het een financiële tegenprestatie is voor de verzorging die zij heeft verricht, waarover loonheffing wordt ingehouden. De Raad verwijst ook naar een brief van de Staatssecretaris waarin wordt gesteld dat PGB-uitkeringen aan gezinsleden die verzorging verrichten als inkomen gelden.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat de PGB-vergoedingen als inkomen uit arbeid worden beschouwd.

Uitspraak

06/2497 WWB
06/2503 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna appellant) en [appellante] (hierna appellante), beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 maart 2006, 05/496 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Scheemda (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 april 2007.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. C.J. de Wever, verbonden aan Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 maart 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen tenminste vanaf oktober 1995 een inkomen niet hoger dan de bijstandsnorm. Zij hebben twee gehandicapte zonen, aan wie in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) een Persoonsgebonden Budget (hierna: PGB) is toegekend. Met hun PGB hebben de zonen sinds 1 maart 2001 voor enkele uren per week de zorg van appellante ingekocht tegen een vergoeding van -laatstelijk - in totaal € 74,40 netto per maand.
Op 30 september 2004 hebben appellanten een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).
Bij besluit van 8 november 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2005, heeft het College deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB afgewezen op de grond dat appellante gedurende de in aanmerking te nemen periode inkomsten uit deze PGB-en heeft ontvangen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
2 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en stellen zich op het standpunt dat de verstrekkingen uit de PGB-en van hun zonen niet als inkomen uit arbeid gezien behoren te worden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge 36, eerste lid, van de WWB verleent het College op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:
a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro;
b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;
c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het College voldoende heeft getracht algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;
d. na een periode als bedoeld in onderdeel a binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.
Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er van uit dat appellanten, uitgaande van 1 januari 2004 als eerst mogelijke peildatum, gedurende de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 hebben voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarde voor toekenning van de gevraagde langdurigheidstoeslag.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door appellante tijdens de referteperiode ontvangen bedragen uit de budgetten van haar zonen als inkomsten uit arbeid moeten worden aangemerkt. De Raad overweegt hiertoe dat het een financiële tegenprestatie betreft voor verrichte arbeid, waarop blijkens de salarisstroken loonheffing wordt ingehouden. De zonen hadden van hun budget ook zorg bij een derde kunnen inkopen. De Raad verwijst voorts naar de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 mei 2003 (nr. Intercom/2003/38036) over PGB en bijstand. Daaruit blijkt dat het PGB dat AWBZ-verzekerden ontvangen geen inkomen is, tenzij het wordt uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich genomen heeft. Het argument van appellante dat zij een zeer geringe vergoeding ontvangt voor de vele tijd die zij aan de verzorging van haar zonen besteedt kan hieraan niet afdoen. De aanvraag voor een langdurigheidstoeslag is derhalve terecht afgewezen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Pijper.