ECLI:NL:CRVB:2007:BA7349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek naar maatmanarbeid
Appellant werkte sinds 1998 als algemeen horeca-medewerker in een buurthuis van zijn zoon en echtgenote. Na uitval in 2002 wegens medische klachten, waaronder een beiderzijdse waterbreuk en rugproblemen, werd zijn aanvraag voor een WAO-uitkering door het UWV afgewezen. Het UWV stelde dat appellant ondanks toegenomen rugklachten geschikt bleef voor de maatmanarbeid, namelijk zijn eigen functie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de werkzaamheden licht waren en nog door appellant konden worden verricht. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV onvoldoende heeft onderzocht of hervatting van de eigen functie feitelijk mogelijk was, mede gezien de economische omstandigheden bij de werkgever en de bijzondere familieverhouding.
De Raad benadrukt dat de maatmanarbeid de arbeid is die de verzekerde voor het intreden van arbeidsongeschiktheid verrichtte, en dat geschiktheid daarvoor in beginsel uitsluit dat sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij die arbeid niet meer beschikbaar is en vergelijkbare arbeid elders niet of nauwelijks voorkomt.
Gezien het bijzondere karakter van de functie en het ontbreken van onderzoek naar alternatieve arbeid, vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.