ECLI:NL:CRVB:2007:BA7633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1975 WWB, 06-1977 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54, derde lid, WWBArt. 58, eerste lid, WWBArt. 7:12, eerste lid, AwbArt. 4:84, AwbArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking intrekking bijstandsuitkering tot periode mei tot juli 2004

Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat appellante werkzaamheden verrichtte in een cafetaria, stelde het College een onderzoek in. Op basis van waarnemingen en verklaringen concludeerde het College dat appellante vanaf 1 mei 2004 werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, waardoor de bijstand onterecht werd verstrekt. Het College trok de bijstand met ingang van 1 mei 2004 in en vorderde de kosten terug.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellanten ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de intrekking terecht is voor de periode 1 mei tot en met 31 juli 2004, omdat er voldoende bewijs is dat appellante in die periode werkzaamheden verrichtte en de inlichtingenplicht schond. Voor de periode daarna ontbreekt een toereikende grondslag voor intrekking.

De Raad vernietigt het besluit van 1 maart 2005 voor zover het de intrekking betreft en beperkt de intrekking tot 1 mei tot en met 31 juli 2004. De terugvordering van de kosten is gegrond voor de periode tot 30 juni 2004. Een verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt beperkt tot de periode 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2004 en het besluit van 1 maart 2005 wordt vernietigd voor zover dit betreft.

Uitspraak

06/1975 WWB
06/1977 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 februari 2006, 05/360, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 april 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).
Naar aanleiding van een melding dat appellante werkzaamheden zou verrichten in cafetaria [naam cafetaria] te [vestigingsplaats] heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn op een vijftal data in juni en juli 2004 waarnemingen verricht en heeft op 24 augustus 2004 een gesprek met appellante plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 31 augustus 2004 en 9 september 2004.
Het College heeft vervolgens bij besluit van 14 december 2004 de bijstand met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 juni 2004 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 2.259,24 van appellanten teruggevorderd.
Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De intrekking
De Raad stelt vast dat bij het primaire besluit van 14 december 2004 de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2004 is ingetrokken en dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij zijn besluit van 1 maart 2005 heeft het College deze intrekking onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad
- zie onder meer zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 december 2004.
a. De periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2004
Uit de rapporten van de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hoogezand-Sappemeer van 31 augustus 2004 en 9 september 2004 blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende dat appellante in de maanden mei 2004, juni 2004 en juli 2004 werkzaamheden heeft verricht in cafetaria [naam cafetaria]. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de door appellanten op 24 augustus 2004 afgelegde verklaring. Van deze werkzaamheden, die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, hadden appellanten het College mededeling moeten doen. Door dit na te laten hebben appellanten over de hier aan de orde zijnde periode de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de omvang van de verrichte werkzaamheden ontbreken, kan niet meer worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate appellante voor haar werkzaamheden inkomsten heeft ontvangen of had kunnen verwerven. De Raad verwijst in dit verband naar zijn rechtspraak inzake het in aanmerking nemen van een fictief inkomen, zoals uiteengezet in het verweerschrift van 23 mei 2006. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de aan appellanten verleende bijstand over deze periode in te trekken.
b. De periode van 1 augustus 2004 tot en met 14 december 2004
De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de Raad geen toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de periode van 1 augustus 2004 tot en met 14 december 2004 eveneens werkzaamheden heeft verricht. Dit betekent dat het besluit van 1 maart 2005, voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand, op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust en derhalve in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.
De terugvordering
Met hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de intrekking van de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2004 is gegeven dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de over de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 juni 2004 ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. Het College voert voor de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in deze bepaling beleid dat nader is omschreven in de door het College overgelegde Debiteurennotitie WWB. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.
Slotoverwegingen
De rechtbank heeft het ten aanzien van de intrekking geconstateerde gebrek niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 maart 2005 gegrond verklaren, het besluit van 1 maart 2005 vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat de intrekking van de bijstand beperkt blijft tot de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2004.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling tot schadevergoeding aangezien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende schade.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 1 maart 2005 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking; Bepaalt dat de intrekking van de bijstand beperkt blijft tot de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2004;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 922,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer;
Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.
EK1605