ECLI:NL:CRVB:2007:BA7942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering, oorspronkelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 13 mei 2002 werd herzien naar een mate van 15 tot 25%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV het besluit op bezwaar en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 25 tot 35%.
Appellant stelde dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer vanwege een pen in zijn linker dijbeen en de aard van de functies die hij zou moeten vervullen. Hij leverde echter geen medische onderbouwing die zijn standpunt ondersteunde. De Raad concludeerde dat de schatting van het UWV, gebaseerd op voldoende en passende functies, aan de eisen voldeed en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij meer beperkt was.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat het beroep feitelijk gericht was tegen het latere besluit van 1 augustus 2006. Dit beroep werd ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herziene UWV-besluit ongegrond.