ECLI:NL:CRVB:2007:BA8182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorschot WW-uitkering bij verwijtbare werkloosheid wegens intrekking politietoestemming
Appellant, werkzaam als beveiligingsmedewerker, werd geconfronteerd met intrekking van zijn politietoestemming na een strafrechtelijke veroordeling, waardoor zijn werkgever geen gebruik meer kon maken van zijn diensten. Het UWV stelde het voorschot op de WW-uitkering op nihil omdat verwacht werd dat appellant verwijtbaar werkloos zou worden verklaard.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het UWV op redelijke gronden kon aannemen dat een blijvende gehele weigering van de WW-uitkering zou worden opgelegd op grond van artikel 27 WW Pro.
Appellant voerde aan dat zijn arbeidsovereenkomst was ontbonden wegens veranderde omstandigheden en niet wegens dringende redenen, en dat de werkgever onterecht gedragingen uit zijn privésfeer had betrokken bij de werksituatie. De Raad verwierp deze stellingen en benadrukte dat de werkgever enkel reageerde op het feit dat appellant niet langer inzetbaar was.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het voorschot op de WW-uitkering op nihil gesteld blijft gehandhaafd.