ECLI:NL:CRVB:2007:BA8384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding
Appellante vroeg een WW-uitkering aan na het verlies van arbeidsuren bij haar werkgever, waarbij het UWV de uitkering weigerde omdat zij niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd. Dit werd gemotiveerd door het ontbreken van een gezagsverhouding en het feit dat geen loon was betaald.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante nooit loon had ontvangen en daardoor geen arbeidsovereenkomst bestond. In hoger beroep stelde appellante dat het niet uitmaakt of loon feitelijk is betaald, maar dat de verplichting tot loonbetaling bepalend is volgens artikel 7:610 BW Pro.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte het ontbreken van loonbetaling als doorslaggevend had beschouwd zonder te onderzoeken of er een verplichting tot loonbetaling bestond. Er was een ondertekend arbeidscontract en loonstroken die dit ondersteunen. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van deze overwegingen.
De Raad veroordeelde het UWV tevens in de proceskosten en wees erop dat deze uitspraak niet betekent dat de WW-uitkering automatisch moet worden toegekend.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen over het bezwaar van appellante met inachtneming van de juiste criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.