ECLI:NL:CRVB:2007:BA8599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zijn werkzaamheden als automatiseringsmedewerker wegens gewrichtsklachten gestaakt en was aanvankelijk ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Na hernieuwde ziekmelding per 2 mei 2002 weigerde het UWV de WAO-uitkering te verhogen omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen. Tevens werd de uitkering per 26 april 2003 verlaagd omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor het besluit van 16 juni 2003 (weigering verhoging) en gegrond voor het besluit van 4 maart 2003 (verlaging), maar handhaafde de rechtsgevolgen van laatstgenoemd besluit. Het hoger beroep richtte zich tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het weigeren van verhoging.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de medische beperkingen niet waren toegenomen per 2 mei 2002. Het deskundigenoordeel en de medische gegevens, waaronder een later vastgestelde nekhernia, veranderden dit niet. Ook was een arbeidskundige beoordeling niet vereist. Het UWV had voldoende onderbouwd dat appellant ondanks beperkingen in staat was tot het verrichten van geschikt werk.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering niet te verhogen en handhaaft de verlaging van de uitkering.