ECLI:NL:CRVB:2007:BA8611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende inzichtelijkheid schatting
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 22 december 2003 te herzien en vast te stellen op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard, waarbij werd aangenomen dat de medische bevindingen en de functionele mogelijkhedenlijst voldoende waren toegelicht en dat er geen strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat het eerdere besluit tot toekenning van een uitkering voor de periode tot 24 oktober 2000 niet uitsluit dat het latere besluit tot herziening terecht kan zijn. De medische stukken tonen aan dat de pols- en knieklachten weliswaar aanwezig zijn, maar geen duidelijke bewegingsbeperkingen veroorzaken en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst adequaat zijn opgenomen.
De Raad constateerde echter dat de arbeidskundige inschatting van de geduide functies niet voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid, met name omdat de zittijd en de mogelijkheid tot vertreden niet overeenkomen met de beperkingen in de FML. Ook is onvoldoende toegelicht hoe appellant met zijn hoofdpijnklachten de functies kan verrichten.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.