ECLI:NL:CRVB:2007:BA8863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant ontving sinds januari 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de uitkering in november 2003 herzien naar 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten waren onderschat en dat onvoldoende lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd hoe bepaalde beperkingen invloed hadden op de mogelijkheden van appellant, waardoor het besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. In hoger beroep heeft de Raad een aanvullend rapport van een bezwaarverzekeringsarts beoordeeld, waarin een aanpassing van de beperkingen op het gebied van lopen werd voorgesteld, maar zonder motivering voor het vervallen van andere beperkingen.
De Raad concludeert dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, mede omdat de verzekeringsartsen appellant niet hebben onderzocht ondanks klachten over pijn die een lichamelijke oorzaak hebben. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht genomen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het medisch onderzoek bij de herziening van de WAO-uitkering was onvoldoende zorgvuldig, waardoor het besluit is vernietigd en het UWV veroordeeld tot proceskostenvergoeding.