ECLI:NL:CRVB:2007:BA8938

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2618 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende bewijs jonggehandicaptheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen die het beroep tegen het besluit van het UWV tot weigering van een WAJONG-uitkering ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was gebleken dat appellant jonggehandicapt was.

Appellant voerde aan dat een psychiatrisch rapport uit 2002 al aangaf dat hij op zeventienjarige leeftijd arbeidsongeschikt was en dat het onderzoek door een andere psychiater niet nodig was. De Raad concludeerde echter dat de argumenten in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten bevatten en het oordeel van de rechtbank niet konden wijzigen.

De Raad wees erop dat appellant pas in 2003 een aanvraag deed voor arbeidsongeschiktheid die in 1984 zou zijn ontstaan, waardoor bewijs lastig te traceren was. Diverse medische rapporten en verklaringen van de vader van appellant wezen erop dat appellant nooit ziek was en geen problemen had in zijn jeugd en werk.

Het rapport van Mutsaers bood onvoldoende aanknopingspunten voor een definitieve diagnose en het onderzoek door Kemperman kon niet worden afgerond vanwege het niet meewerken van appellant. De Raad had geen reden om aan de verklaring van Kemperman te twijfelen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering bevestigd.

Uitspraak

05/2618 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 april 2005, 04/1087 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Van Asperen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 september 2004, waarbij het Uwv beslissend op bezwaar heeft geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) (bestreden besluit), ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat appellant jonggehandicapte is.
Appellant heeft daartegen aangevoerd dat reeds uit het rapport van 2 augustus 2002 van psychiater W.H.J. Mutsaers afgeleid kan worden dat appellant al op zijn zeventiende arbeidsongeschikt was. Het op verzoek van de rechtbank ingestelde onderzoek door de psychiater C.J.F. Kemperman was derhalve niet nodig; de reden dat appellant daaraan niet meewerkte was gelegen in medicijngebruik.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De Raad wijst er allereerst op dat appellant pas in 2003 een aanvraag heeft ingediend terzake van in 1984 gestelde arbeidsongeschiktheid, derhalve bijna 20 jaar na die datum. Daarmee heeft appellant het risico genomen dat gegevens over dat tijdstip moeilijk te traceren zijn. Dit risico dient voor zijn rekening te blijven.
Voorts overweegt de Raad dat het rapport van Mutsaers onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat appellant jonggehandicapte is. Mutsaers geeft immers zelf aan dat er nogal wat relevante gegevens ontbreken. Dat betekent, zo stelt hij, dat er geen plaats is voor definitieve conclusies of voor diagnosen die met grote zekerheid of waarschijnlijkheid gesteld kunnen worden. Een wat langere observatieperiode zou volgens hem wenselijk zijn.
Het Uwv heeft getracht nadere informatie te verkrijgen middels een onderzoek door Kemperman. Deze kon echter geen rapport uitbrengen omdat appellant geen antwoord gaf op de gestelde vragen. De Raad heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van Kemperman terzake.
Ook de overige beschikbare informatie is onvoldoende om te concluderen dat appellant jonggehandicapte is. In de aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering – gegevens over uw ziekte of letsel – heeft appellant aangegeven dat hij de huisarts in januari 2000 voor het eerst heeft bezocht. Dit blijkt ook uit de informatie van de huisarts. Uit de rapportage van 17 juni 2003 van de verzekeringsarts blijkt dat appellant de eerste symptomen drie jaar daarvoor kreeg. Ten slotte blijkt uit informatie van de vader van appellant dat appellant nooit ziek was en nooit problemen heeft gehad. Hij heeft zijn vader altijd geholpen in de horeca en later heeft hij een zonnestudio gehad. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bevestigt dit wat appellant zelf ook eerder te kennen gaf namelijk dat appellant in zijn jeugd en tijdens zijn werk in de horeca en de zonnestudio nooit ziek was en geen problemen had.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M Kaldenhoven als griffier, uitgesproken 2 juli 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
MR