ECLI:NL:CRVB:2007:BA8938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende bewijs jonggehandicaptheid
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen die het beroep tegen het besluit van het UWV tot weigering van een WAJONG-uitkering ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was gebleken dat appellant jonggehandicapt was.
Appellant voerde aan dat een psychiatrisch rapport uit 2002 al aangaf dat hij op zeventienjarige leeftijd arbeidsongeschikt was en dat het onderzoek door een andere psychiater niet nodig was. De Raad concludeerde echter dat de argumenten in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten bevatten en het oordeel van de rechtbank niet konden wijzigen.
De Raad wees erop dat appellant pas in 2003 een aanvraag deed voor arbeidsongeschiktheid die in 1984 zou zijn ontstaan, waardoor bewijs lastig te traceren was. Diverse medische rapporten en verklaringen van de vader van appellant wezen erop dat appellant nooit ziek was en geen problemen had in zijn jeugd en werk.
Het rapport van Mutsaers bood onvoldoende aanknopingspunten voor een definitieve diagnose en het onderzoek door Kemperman kon niet worden afgerond vanwege het niet meewerken van appellant. De Raad had geen reden om aan de verklaring van Kemperman te twijfelen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering bevestigd.