ECLI:NL:CRVB:2007:BA9117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid door ziekte
Appellante, sinds 1990 arbeidsongeschikt wegens chronische vermoeidheidsklachten en toxoplasmose, heeft meerdere keren een WAO-uitkering aangevraagd die steeds zijn geweigerd vanwege het ontbreken van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte. In 2003 vroeg zij opnieuw een WAO-uitkering aan, welke door het Uwv werd geweigerd en deze beslissing werd door de rechtbank Utrecht bevestigd.
Appellante voerde aan dat zij lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en dat er geen onafhankelijk medisch onderzoek was verricht sinds 1993. Zij verzocht om een nieuw medisch en psychisch onderzoek en stelde dat het Uwv onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. De Raad oordeelde dat het enkel stellen van een diagnose CVS onvoldoende is om arbeidsongeschiktheid aan te nemen zonder een medisch objectief verband tussen klachten en beperkingen.
De Raad bevestigde dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen wezenlijke wijziging in de medische toestand is opgetreden en dat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen. Ook wees de Raad erop dat het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet verplicht is als het medisch objectief verband ontbreekt. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van medisch objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid.