ECLI:NL:CRVB:2007:BA9501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2255 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid op 17e verjaardag

Appellante verzocht het UWV om een WAJONG-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid als jeugdgehandicapte. Het UWV weigerde dit omdat zij op haar 17e verjaardag niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond vanwege onvoldoende medische onderbouwing van haar standpunt over de ingangsdatum van haar arbeidsongeschiktheid.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voegde een brief toe van een psycholoog die stelde dat haar problematiek ook in haar jeugd bestond. De Raad oordeelde dat deze verklaring onvoldoende inzicht gaf in de ernst en ontwikkeling van haar aandoening op de relevante datum en dat de belastende omstandigheden na haar 17e verjaardag mede de ernst van haar situatie bepaalden.

De Raad zag geen aanleiding voor een aanvullende expertise en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het UWV het medische beeld en de beperkingen op de ingangsdatum niet onjuist had beoordeeld. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2255 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2005, 02/5495 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Diepen. Het Uwv was vertegenwoordigd door
E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Bij formulier gedateerd 10 augustus 2001 heeft appellante het Uwv verzocht haar een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid te verstrekken, omdat zij als jeugdgehandicapte moet worden aangemerkt.
Bij besluit van 22 februari 2002 heeft het Uwv geweigerd appellante de gevraagde uitkering te verstrekken. Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat appellante, geboren
1 januari 1966, op de dag dat zij 17 jaar oud werd niet arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 8 november 2002 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – zijn besluit van 22 februari 2002 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 8 november 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat in een situatie als in geding, waarin appellante - zonder dat daarvoor een bijzondere reden is - eerst vele jaren na het tijdstip waarop naar haar mening haar arbeidsongeschiktheid is ingetreden een aanvrage doet, op appellante de plicht rust gegevens naar voren te brengen die steun bieden voor haar standpunt ter zake van (de ingangsdatum van) haar arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat voor het standpunt van appellante dat zij reeds op haar 17e verjaardag arbeidsongeschikt was onvoldoende steun is te vinden in de voorhanden zijnde medische gegevens.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen appellante reeds bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt dat zij reeds op haar 17e verjaardag arbeidsongeschikt was heeft appellante in hoger beroep nog een brief overgelegd van M. van Overmeir, GZ Psycholoog, gedateerd 2 mei 2007.
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over de plicht die op appellante rust om in een geval als het onderhavige gegevens naar voren te brengen die haar steunen in haar standpunt omtrent (de ingangsdatum van) haar arbeidsongeschiktheid.
Met de Rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat uit hetgeen appellante heeft aangevoerd niet blijkt dat het Uwv de medische situatie van appellante en de hieruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum in geding heeft miskend. De verklaring van Overmeir leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellante is eerst in 2004 bij deze psycholoog onder behandeling gekomen. Overmeir geeft weliswaar aan dat de problematiek waarmee appellante thans te kampen heeft ook in haar jeugd en adolescentie moet hebben bestaan, maar geeft geen inzicht in de omvang en de ontwikkeling van die problematiek ten tijde van de jeugd, adolescentie en volwassenheid van appellante. Zonder zo een inzicht kan aan de verklaring van Overmeir geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dit geldt zeker nu uit de verklaring van Overmeir blijkt dat enerzijds sprake is van een stoornis die zich in de vroege jeugd van appellante heeft ontwikkeld, maar dat anderzijds de ernst van de thans bestaande situatie ook is veroorzaakt door zeer belastende omstandigheden die zich hebben voorgedaan na haar 17e verjaardag.
Naar aanleiding van de omstandigheden die appellante naar voren heeft gebracht omtrent hetgeen haar in haar leven is overkomen overweegt de Raad – hoe ernstig en ingrijpend dit voor appellante ook geweest moet zijn – dat deze omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat het door het Uwv in het besluit van 8 november 2002 gehandhaafde standpunt omtrent de bij appellante op haar 17e verjaardag bestaande beperkingen van medische aard onjuist is. Evenals de rechtbank ziet de Raad voor een expertise, zoals door appellante verzocht, geen aanleiding.
Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad ziet voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
CVG