ECLI:NL:CRVB:2007:BB0227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking WAO-uitkering
Appellant, die sinds 1992 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontving, zag deze uitkeringen per 1 januari 1995 ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. Hij verzocht medio 2002 om herziening op grond van artikel 43a WAO, stellende dat zijn arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking was toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat er geen overtuigend medisch bewijs was dat de toename van arbeidsongeschiktheid vóór 1 januari 2000 had plaatsgevonden. De medische rapporten waren summier en boden geen inzicht in behandelingen, duur of resultaten. Ook de verzekeringsarts van het UWV vond onvoldoende bewijs voor een toename binnen de gestelde termijn.
In hoger beroep werd aanvullend medisch bewijs ingediend, waaronder rapporten van dr. Sabbar Mohamed en een brief van psychiater Karman. De Raad vond deze stukken niet overtuigend genoeg om het eerdere oordeel te wijzigen. De verslechtering van de gezondheidstoestand trad pas na 1 januari 2000 op, en er waren onvoldoende aanwijzingen voor een structurele verslechtering in 1998 of 1999.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.