Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/5663 WWB + 06/5664 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand voor babyuitzet en meubels afgewezen

Appellanten verzochten het College om bijzondere bijstand voor de aanschaf van een babyuitzet, een eenpersoonsbed met matras, een lattenbodem, een tweepersoonsmatras en gordijnen. Na een huisbezoek op 31 mei 2005 concludeerde het College dat appellanten reeds beschikten over een babyuitzet en dat er geen noodzaak was voor vervanging van de overige goederen. Het College wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Hoewel een advies van Thuiszorg West-Brabant de aanschaf van een eenpersoonsbed voor het kind noodzakelijk achtte, oordeelde de Raad dat dit geen bijzondere omstandigheden opleverde die recht gaven op bijzondere bijstand, mede omdat appellanten de aanschaf hadden kunnen voorzien en hiervoor hadden kunnen reserveren.

De Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan het College toe te wijzen en bevestigde de eerdere uitspraak. De aanvraag om bijzondere bijstand werd daarmee terecht afgewezen omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor babyuitzet en meubels is terecht afgewezen wegens het ontbreken van noodzakelijke bijzondere kosten.

Uitspraak

06/5663 WWB
06/5664 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] en [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 augustus 2006, 06/88 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. P.P.M. Heeren, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 mei 2007. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellanten hebben op 4 mei 2005 het College verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een babyuitzet, een eenpersoonsbed met matras voor hun kind [naam kind], een lattenbodem, een tweepersoonsmatras en gordijnen. Naar aanleiding van deze aanvraag is op 31 mei 2005 een onderzoek ingesteld in de woning van appellanten. Vervolgens heeft het College bij besluit van 9 juni 2005 de aanvraag van 4 mei 2005 onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich onder meer op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot aanschaf dan wel vervanging van de gevraagde goederen niet is komen vast te staan.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 november 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
De Raad is van oordeel dat, gelet op de in de rapportage van 7 juni 2005 beschreven bevindingen van het huisbezoek van 31 mei 2005, niet gebleken is van een noodzaak tot aanschaf van een babyuitzet nu appellanten ten tijde van dat huisbezoek reeds de beschikking hadden over een babyuitzet. Bij dat huisbezoek is voorts niet gebleken van een noodzaak om de lattenbodem, de tweepersoonsmatras en de gordijnen te vervangen. Appellanten hebben daartegenover onvoldoende gesteld. Dit betekent dat, nog daargelaten of de door appellanten aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de zwangerschap van appellante Souri als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB zijn aan te merken, het College de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van aanschaf van een babyuitzet, een lattenbodem, een tweepersoonsmatras en gordijnen terecht heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.
Met betrekking tot het eenpersoonsbed met matras voor [naam kind] blijkt uit het advies van 17 januari 2005 van Thuiszorg West-Brabant dat de aanschaf hiervan noodzakelijk is in verband met haar ontwikkeling in de groei. Naar het oordeel van de Raad is echter geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB, nu appellanten de noodzaak tot aanschaf van een groter bed voor [naam kind], gelet op haar leeftijd, hebben kunnen voorzien, terwijl niet is gebleken is dat zij niet in staat zijn geweest om hiervoor te reserveren. De aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een eenpersoonsbed met matras is derhalve eveneens terecht afgewezen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en R.M. van Male en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) D. Olthof.
PR/020707