ECLI:NL:CRVB:2007:BB0566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstandsuitkering zelfstandige wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant exploiteert sinds 1982 twee bedrijven en vroeg op 20 december 2004 bijzondere bijstand aan voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal vanwege terugval in inkomsten. Het College weigerde de bijstand primair omdat het bedrijf niet levensvatbaar was en subsidiair vanwege vermogen in een beleggingspand.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat het College de aanvraag niet volgens artikel 2 van Pro het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) had getoetst, maar handhaafde de rechtsgevolgen vanwege het vermogen. De Centrale Raad vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank een grond aanvoerde die niet door het College was gebruikt, wat strijdig is met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad toetst zelf of het bedrijf levensvatbaar is en concludeert dat het advies van IMK, dat het bedrijf niet levensvatbaar acht wegens onvoldoende omzet ten opzichte van kosten, betrouwbaar is. Appellant kon geen objectief tegenbewijs leveren. De Raad gaat voorbij aan de inkomsten uit het beleggingspand en het inkomen van de echtgenote omdat dit in het advies is meegenomen.
Daarom verklaart de Raad het beroep ongegrond en veroordeelt het College in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.