ECLI:NL:CRVB:2007:BB1229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende beperkingen op datum in geding
Appellante stelde in hoger beroep dat haar echtgenoot vanwege lichamelijke beperkingen, waaronder het niet meer kunnen uitvoeren van werkzaamheden zoals auto poetsen en autorijden over langere afstanden, recht had op een WAZ-uitkering. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat de reïntegratiefunctie van directeur door de echtgenoot kon worden uitgevoerd en dat de medische beoordeling van het UWV niet onjuist was. De beperkingen die appellante aanvoerde bevatten geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel konden leiden.
Daarnaast is vastgesteld dat de echtgenoot sinds 1978 arbeidsongeschikt was vanwege rugklachten en op grond van artikel 7b WAO als werknemer werd beschouwd. De hartklachten die in 2003 ontstonden, hadden een andere oorzaak dan de rugklachten, waardoor herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 37 WAO Pro niet mogelijk was.
De medische informatie van de cardioloog toonde geen zwaardere beperkingen op de datum in geding. Hoewel vanaf februari 2004 sprake was van ernstig hartlijden, was dit niet relevant voor de beoordeling van de datum in geding. Het hoger beroep werd daarom verworpen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.