ECLI:NL:CRVB:2007:BB1229

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2504 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7b WAOArt. 37, tweede lid, WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende beperkingen op datum in geding

Appellante stelde in hoger beroep dat haar echtgenoot vanwege lichamelijke beperkingen, waaronder het niet meer kunnen uitvoeren van werkzaamheden zoals auto poetsen en autorijden over langere afstanden, recht had op een WAZ-uitkering. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad overwoog dat de reïntegratiefunctie van directeur door de echtgenoot kon worden uitgevoerd en dat de medische beoordeling van het UWV niet onjuist was. De beperkingen die appellante aanvoerde bevatten geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel konden leiden.

Daarnaast is vastgesteld dat de echtgenoot sinds 1978 arbeidsongeschikt was vanwege rugklachten en op grond van artikel 7b WAO als werknemer werd beschouwd. De hartklachten die in 2003 ontstonden, hadden een andere oorzaak dan de rugklachten, waardoor herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 37 WAO Pro niet mogelijk was.

De medische informatie van de cardioloog toonde geen zwaardere beperkingen op de datum in geding. Hoewel vanaf februari 2004 sprake was van ernstig hartlijden, was dit niet relevant voor de beoordeling van de datum in geding. Het hoger beroep werd daarom verworpen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitspraak

05/2504 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 maart 2005, 04/171 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2007. Appellante is, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2004 van het Uwv (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv de bezwaren van de overleden echtgenoot van appellante, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]), tegen de weigeringen zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verhogen en hem met ingang van
9 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen ongegrond geacht. De rechtbank heeft overwogen dat de medische beoordeling ten aanzien van de datum in geding niet op onjuiste wijze tot stand is gekomen en heeft geen twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Met inachtneming van de gestelde beperkingen moest [echtgenoot] in staat worden geacht de reïntegratiefunctie van directeur te verrichten.
Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat [echtgenoot] de lichamelijke activiteiten zoals auto’s poetsen en het autorijden over langere afstanden, belangrijke onderdelen van zijn werk, niet meer kon. Deze gebreken bestonden ook al op de datum in geding.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De Raad voegt daar het volgende aan toe.
Artikel 37, tweede lid, van de WAO bepaalt dat herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet plaatsvindt indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
Uit de stukken blijkt – en partijen verschillen daarover niet van mening – dat [echtgenoot] in 1978 arbeidsongeschikt is geworden vanwege rugklachten. [echtgenoot] is nadien geen arbeid als werknemer meer gaan verrichten. Hij wordt derhalve uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer beschouwd. De in 2003 ontstane hartklachten komen voort uit een andere oorzaak dan de rugklachten terzake waarvan [echtgenoot] arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de WAO kan dan ook geen herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvinden.
Met betrekking tot de aangevraagde WAZ-uitkering overweegt de Raad dat er geen redenen zijn om het medische oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat er meer beperkingen zijn. Uit de informatie van [echtgenoot]s behandelend cardioloog, E.J.A.M. Göbel, van 24 oktober 2002 blijkt dat sprake is van mitraal insufficiëntie, asymptomatisch, en gereguleerde hypertensie. Gezien de afwezigheid van klachten en normale kamerdiameters wordt een expectatief beleid gevoerd. Poliklinische controle over vier maanden met controle echocardiografie plus TEE. In zijn brief van 4 juni 2003 verwijst de cardioloog naar deze informatie en geeft aan dat [echtgenoot] daarna niet meer poliklinisch gecontroleerd is. Uit de brief van de cardioloog van 22 april 2004 blijkt dat [echtgenoot] eerst in februari van dat jaar opnieuw op de polikliniek werd gezien in verband met progressieve klachten van kortademigheid en pijn op de borst. Noch uit deze informatie noch uit de overige beschikbare medische informatie kan worden afgeleid dat op de datum in geding, 9 januari 2003, sprake is van meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen.
De Raad hecht er aan op te merken dat voor hem wel vast staat dat bij [echtgenoot] vanaf februari 2004 een ernstig hartlijden heeft bestaan. Die datum staat echter in dit geding niet ter beoordeling.
De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de belasting van de reïntegratiefunctie van [echtgenoot] zijn belastbaarheid niet overschrijdt, zodat terecht is geweigerd hem een WAZ-uitkering toe te kennen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Gunter.
CVG