ECLI:NL:CRVB:2007:BB1717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig melktanklasser, meldde zich ziek met nek- en schouderklachten en kreeg vanaf 1 maart 2000 een WAO-uitkering van 80% of meer arbeidsongeschiktheid toegekend. Het Uwv trok deze uitkering per 10 december 2003 in, waarna bezwaar werd gemaakt en de uitkering alsnog per 12 juli 2004 werd ingetrokken.
De rechtbank stelde vast dat de functionele mogelijkheden van appellant juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 augustus 2003 en dat appellant ongeschikt was voor zwaar nek- en schouderbelastende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er sprake was van vermijdingsgedrag en anticipatieangst, wat de subjectieve klachten niet doorslaggevend maakte.
Appellant voerde aan dat de beperkingen in de FML onjuist waren en dat de passende functies niet overeenkwamen met zijn opleiding en ervaring. De Raad oordeelde echter dat de beperkingen juist waren vastgesteld en de functies passend waren. De resterende verdiencapaciteit leidde tot een arbeidsongeschiktheid van circa 14%, minder dan de vereiste 15% voor WAO-uitkering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering per 12 juli 2004 rechtsgeldig bleef.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 12 juli 2004 wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.