ECLI:NL:CRVB:2007:BB2418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid lidstaat voor WW-uitkering bij woon- en werklandverschil
Betrokkene woonde en werkte van april 2002 tot oktober 2003 in Frankrijk en keerde daarna terug naar Nederland, waar zij een WW-uitkering aanvroeg. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) weigerde de uitkering omdat Frankrijk als bevoegde lidstaat werd beschouwd op grond van de Europese Verordening 1408/71.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit vanwege een onjuiste wettelijke grondslag, waarbij zij oordeelde dat betrokkene mogelijk recht had op een Nederlandse WW-uitkering op grond van artikel 71 van Pro de Verordening. Appellant stelde in hoger beroep dat artikel 13 van Pro de Verordening van toepassing is en dat betrokkene onder de Franse wetgeving valt omdat zij haar laatste werkzaamheden in Frankrijk verrichtte.
De Raad overwoog dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij na terugkeer in Nederland nog in Frankrijk werkte en dat artikel 71 van Pro de Verordening daarom niet van toepassing is. De Raad volgt appellant en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het besluit vernietigde wegens onjuiste wettelijke grondslag, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Daarnaast oordeelde de Raad dat betrokkene niet is verschenen op de zitting en geen uitzonderlijke omstandigheden voor uitstel heeft aangetoond, waardoor de Raad uitgaat van de feiten zoals in de gedingstukken vermeld. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat Frankrijk de bevoegde lidstaat is voor de WW-uitkering en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het besluit op onjuiste wettelijke grondslag baseerde.