ECLI:NL:CRVB:2007:BB2713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WAZ-uitkering na verslechterde gezondheid en arbeidsongeschiktheid
Appellant, een zelfstandig timmerman, werd aanvankelijk geweigerd een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een ongeval in 2003 waarbij hij twee rugwervels brak, vroeg hij opnieuw een uitkering aan op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het UWV kende hem per 7 juni 2004 een uitkering toe, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, gebaseerd op het maatmaninkomen over de laatste drie boekjaren voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het maatmaninkomen en de vastgestelde urenomvang van 27 uur per week, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn gezondheidstoestand na 1996 was verslechterd en dat het maatmaninkomen over de laatste drie boekjaren geen representatief beeld gaf. Hij wilde het inkomen over 1996 als uitgangspunt nemen.
De Centrale Raad van Beroep volgde het UWV en oordeelde dat de stellingen van appellant onvoldoende onderbouwd waren. De financiële resultaten van appellant over de laatste jaren, geaccepteerd door de fiscus, boden geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Ook de vaststelling van de urenomvang werd als juist beschouwd. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep ongegrond.