ECLI:NL:CRVB:2007:BB2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar te laat komen op het werk
Appellant was sinds 8 januari 2001 in dienst als inspecteur bij zijn werkgever. Vanaf 2005 kwam hij herhaaldelijk te laat op het werk, ondanks mondelinge en schriftelijke waarschuwingen, waaronder een laatste waarschuwing met dreiging tot ontslag op staande voet. Na een nieuwe overtreding op 5 oktober 2005 werd hem ontslag op staande voet aangezegd, waarna partijen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigden per 8 december 2005.
Appellant vroeg op 14 oktober 2005 een WW-uitkering aan, die hem bij besluit van 21 november 2005 met ingang van 5 oktober 2005 geheel werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden. Het bezwaar van appellant werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Zutphen bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat appellant ondanks waarschuwingen bleef te laat komen, wat volgens de werkgever omzetverlies en ontevredenheid veroorzaakte. De verklaring van appellant dat hij in de file stond werd niet geaccepteerd. De Raad oordeelde dat appellant zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden wordt bevestigd.