ECLI:NL:CRVB:2007:BB2803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overwerk als overuren bij berekening WW-uitkering internationaal chauffeur
Appellant was van 1977 tot 2005 als internationaal chauffeur werkzaam en kreeg na ontslag een WW-uitkering toegekend gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 39,45. Hij stelde dat het structureel verrichte overwerk van gemiddeld 14 uur per week ten onrechte buiten beschouwing was gelaten bij de berekening van zijn uitkering. De rechtbank wees dit beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat het overwerk niet verplicht was en dat appellant de enige chauffeur was die overwerk verrichtte, terwijl collega’s dit weigerden en de werkgever dit accepteerde. Hierdoor was er geen sprake van een bestendige praktijk die de arbeidsovereenkomst qua arbeidsduur feitelijk uitbreidde. Bovendien is het rijden met een kettingwagen niet zodanig bijzonder dat andere chauffeurs dit niet konden doen, zodat het overwerk niet inherent is aan de functie.
De Raad baseerde zich op de Werkloosheidswet en de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren, waarin is bepaald dat overwerk buiten beschouwing blijft tenzij het verplicht is of inherent aan de functie. De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de meeruren als overuren heeft aangemerkt en buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het structureel verrichte overwerk als overuren moet worden aangemerkt en buiten beschouwing blijft bij de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren voor de WW-uitkering.