ECLI:NL:CRVB:2007:BB3051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Brand
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onjuiste schatting arbeidsmogelijkheden
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 21 januari 2004 in te trekken. De rechtbank had dit besluit bekrachtigd, maar appellante stelde in hoger beroep dat de beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts te licht waren ingeschat en dat het overleg met haar psycholoog en psychiater telefonisch plaatsvond, waardoor de inhoud niet controleerbaar zou zijn.
De Raad oordeelde dat het UWV zich terecht baseerde op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts, waarin rekening was gehouden met zowel lichamelijke als psychische beperkingen van appellante. De Raad wees het verzoek om aanvullend deskundigenonderzoek af. Wel oordeelde de Raad dat de functie van centralist bij een taxicentrale, behorend tot de SBC-code 315120, onterecht aan de schatting ten grondslag was gelegd omdat deze functie wisselende diensten omvat, terwijl appellante in haar eigen werk geen wisselende diensten had.
Door het vervallen van deze functie was de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid onvoldoende onderbouwd, waardoor het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering niet stand kon houden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. De vordering tot vergoeding van renteschade wegens schending van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure niet onredelijk lang had geduurd.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante in zowel eerste aanleg als hoger beroep en bepaalde dat betaalde griffierechten aan appellante worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting.