ECLI:NL:CRVB:2007:BB3862

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4685 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na geschil over medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant viel in juni 2002 uit wegens klachten aan schouder, hand en arm en ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een initiële arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van 25 tot 35%.

Na bezwaar werd de beoordeling herzien door een bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogden tot 45 tot 55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing onderschreef.

In hoger beroep betwist appellant de medische en arbeidskundige beoordeling, met name de inschatting van zijn psychische beperkingen en de geschiktheid van geselecteerde functies. De Raad concludeert dat de medische beperkingen juist zijn weergegeven en dat de aanvullende medische informatie van appellant buiten beschouwing moet blijven omdat deze na de relevante datum dateert.

De Raad ziet geen aanleiding voor benoeming van een deskundige en onderschrijft de arbeidskundige beoordeling van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot vaststelling van de WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Uitspraak

05/4685 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2005, 04/2507 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een arbeidskundige rapportage.
Bij brief van 23 juli 2007 heeft mr. Vleugel onder meer medische informatie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vleugel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant viel op 18 juni 2002 met schouder-, hand- en armklachten uit voor zijn werkzaamheden als programmeur/systeemanalist. De verzekeringsarts B.D. van Latenstein heeft na onderzoek van appellant een aantal beperkingen geformuleerd, hetgeen uitwerking vond in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 juli 2003. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige L.A. Hovenkamp met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Hovenkamp berekende, blijkens zijn rapport van 16 oktober 2003, het verlies aan verdienvermogen van appellant op 33,55%.
In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 17 oktober 2003 aan appellant met ingang van 17 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts F.A.M. Samuels de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart gebracht. In zijn rapportage van 17 mei 2004 concludeerde hij dat op een aantal onderdelen diende te worden afgeweken van het belastbaarheidsoordeel van de primaire verzekeringsarts. Samuels achtte appellant tevens beperkt als gevolg van gehoorschade. Daarnaast achtte hij appellant beperkt ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.
De (verdergaande) beperkingen en mogelijkheden zijn vervolgens neergelegd in de aangepaste FML van eveneens 17 mei 2004. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.M.G.M. Jansen andermaal het CBBS geraadpleegd. Twee van de aanvankelijk geduide functies vervielen. In het door Jansen op 3 augustus 2004 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de – uiteindelijk – geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 47,69% moet worden gesteld.
Daarop heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2004 het bezwaar van appellant gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 juni 2003 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
Het hoger beroep keert zich tegen de medische grondslag van het bestreden besluit – appellant acht zich psychisch verdergaand beperkt dan door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen – en tegen de arbeidskundige grondslag daarvan. Appellant acht de belasting in de op hem voorgehouden functies surveillant bewakingsdienst en bediende fotolaboratorium te veel gerelativeerd door het Uwv.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Evenals de rechtbank komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Samuels aangescherpte FML geen juiste weergave vormt van de bij appellant ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medisch aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad dan ook.
In hoger beroep is namens appellant informatie van medische aard overgelegd die van ver na de datum, die thans in geding is, dateert en dan ook naar het oordeel van de Raad buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de beoordeling van appellants gezondheidstoestand op de datum in geding.
De Raad is van oordeel dat voldoende informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum aanwezig is om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding te bewilligen in het ter zitting namens appellant gedane verzoek over te gaan tot de benoeming van een deskundige.
Met betrekking tot de geselecteerde functies overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.
(get.) K.J.S. Spaas
(get.) M.C.T.M. Sonderegger
MK