ECLI:NL:CRVB:2007:BB4163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering zonder dringende reden tot kwijtschelding
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van een WAO-uitkering over de periode 1 januari 2002 tot 1 juli 2002, omdat het UWV had vastgesteld dat de uitkering onverschuldigd was betaald. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat alleen bij dringende redenen kan worden afgezien van terugvordering, hetgeen appellant niet aannemelijk had gemaakt.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de termijn tussen het aanleveren van inkomensgegevens en de terugvordering te lang was en dat zijn financiële situatie een dringende reden vormde om niet terug te vorderen. De Raad overwoog dat het herzieningsbesluit onherroepelijk is en dat de terugvordering een wettelijke verplichting is, waarbij alleen bij onaanvaardbare gevolgen kan worden afgezien.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende bewijs leverde van de financiële gevolgen die terugvordering onaanvaardbaar maken. Het feit dat appellant zijn bedrijf om persoonlijke redenen moest staken, vormt geen dringende reden. Ook het tijdsverloop tussen inkomensgegevens en terugvordering rechtvaardigt geen kwijtschelding. De Raad bevestigt daarom het bestreden vonnis en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De terugvordering van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende reden tot kwijtschelding is aangetoond.