ECLI:NL:CRVB:2007:BB4180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was werkzaam als nachtwacht en heeft na meerdere tijdelijke contracten een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV weigerde de uitkering omdat werd aangenomen dat de werkgever een rechtsopvolger was, waardoor appellant recht had op loonbetaling. Appellant verzocht later om herziening van dit besluit op grond van nieuwe feiten, waaronder het ontbreken van een overgang van onderneming en het feit dat anderen in vergelijkbare situaties wel een WW-uitkering ontvingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de aangevoerde feiten niet nieuw waren en destijds al bekend hadden kunnen zijn. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en overweegt dat appellant het risico draagt dat hij pas na het verstrijken van de beroepstermijn met deze informatie kwam. Het UWV mocht daarom volstaan met afwijzing van het verzoek zonder inhoudelijke heroverweging.
De Raad benadrukt dat het bestuursorgaan in beginsel bevoegd is om een verzoek tot herziening inhoudelijk te behandelen, maar dat dit niet leidt tot een volledige toetsing als bij een oorspronkelijk besluit. De beoordeling beperkt zich tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. Proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het WW-uitkeringsbesluit wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.