ECLI:NL:CRVB:2007:BB4214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na bezit kinderporno niet gegrond
Appellant was sinds 1987 in dienst bij zijn werkgever en werd in 1999 en 2000 geconfronteerd met het bezit van kinderpornografisch materiaal op een werkcomputer, waarna hij zijn functie in de ondernemingsraad neerlegde. In 2005 werd bij hem thuis kinderporno aangetroffen, wat leidde tot een strafrechtelijke veroordeling en uiteindelijk tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Zowel de rechtbank Breda als het UWV oordeelden dat appellant verwijtbaar had gehandeld jegens zijn werkgever door het bezitten van kinderporno, waardoor hij zijn uitkering niet toekwam.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het gedrag van appellant niet verwijtbaar was jegens de werkgever, omdat het privégedrag geen relatie had met zijn werkzaamheden en de werkgever geen nadelige gevolgen had ondervonden. Wel werd geoordeeld dat appellant door eigen toedoen passende arbeid niet had behouden, omdat hij zijn werkgever niet direct informeerde en zich liet ziekmelden tijdens voorlopige hechtenis.
Daarom werd het besluit tot weigering van de WW-uitkering vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand op grond van het eigen verwijt van appellant. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd appellant het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand wegens eigen toedoen van appellant.