ECLI:NL:CRVB:2007:BB5397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante heeft op 7 augustus 2002 een WAJONG-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid door chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Na medisch onderzoek en expertise concludeerden verzekeringsartsen dat zij in staat was om eenvoudige werkzaamheden te verrichten met beperkingen, hetgeen leidde tot een weigering van de uitkering door het UWV.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan en dat de beperkingen van appellante objectief waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, met name vanwege haar vermoeidheidsklachten en het ontbreken van een medische urenbeperking.
De Raad overwoog dat de medische beoordeling van het UWV juist was en dat de klachten grotendeels niet medisch objectiveerbaar zijn, maar dat de beperkingen wel in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren opgenomen. Wel oordeelde de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een deugdelijke motivering had gegeven voor de geschiktheid van de resterende functies, waardoor het bestreden besluit vernietigd moest worden.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAJONG-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, met in stand blijvende rechtsgevolgen.