ECLI:NL:CRVB:2007:BB5409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaald verzoek om toekenning WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft herhaaldelijk verzocht om toekenning van een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanaf 18 april 1985. Eerdere besluiten van 29 december 1987, 1 maart 1991 en 26 september 1996 wezen deze verzoeken af vanwege het ontbreken van voldoende arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid.
In 2001 verzocht appellant om terug te komen van deze besluiten, stellende dat latere jurisprudentie een ander maatmanloon voorschrijft, en dat er sprake zou zijn van nieuw beleid en nieuwe feiten. Het UWV wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV voor zover het niet terugkwam op het besluit van 1 maart 1991, maar verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt in hoger beroep dat latere jurisprudentie geen nieuw feit vormt en dat de memo’s van het UWV alleen relevant zouden zijn indien nieuwe feiten waren vastgesteld, wat niet het geval is.
De Raad concludeert dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat appellant geen recht heeft op herziening van de eerdere besluiten. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek om herziening van de WAO-uitkering bevestigd.