ECLI:NL:CRVB:2007:BB5416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij meerinkomsten studiefinanciering na nalatenschap
Betrokkene ontving studiefinanciering en erfde in december 2001 vermogen uit een nalatenschap, waardoor haar toetsingsinkomen werd verhoogd door een forfaitair vermogensrendement over het hele kalenderjaar. Betrokkene stelde dat dit onbillijk was omdat zij pas vanaf 12 december 2001 over het vermogen kon beschikken en dat zij niet kon anticiperen op de gevolgen voor haar studiefinanciering.
Appellante, de IB-Groep, wees het bezwaar af en beriep zich op artikel 3.17 WSF 2000 en de hardheidsclausule in artikel 11.5 WSF 2000, waarbij zij stelde dat betrokkene niet tijdig contact had opgenomen om het studiefinancieringstijdvak in te korten. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering omtrent de hardheidsclausule.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wetstekst van artikel 3.17 WSF 2000 helder is en geen ruimte laat voor afwijking van het forfaitaire vermogensrendement. De hardheidsclausule biedt geen ruimte voor afwijking indien de wetgever de regeling duidelijk heeft bedoeld. Betrokkene had volgens de vaste gedragslijn van appellante vóór 1 april 2004 een verzoek moeten indienen om het studiefinancieringstijdvak in te korten, wat zij niet heeft gedaan.
De Raad bevestigde dat appellante terecht de hardheidsclausule niet toepaste en dat het bestreden besluit inhoudelijk juist is, zodat de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro in stand blijven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de IB-Groep terecht het toetsingsinkomen inclusief forfaitair vermogensrendement hanteert en weigert toepassing van de hardheidsclausule wegens niet tijdig verzoek.