ECLI:NL:CRVB:2007:BB5545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- T. Hoogenboom
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens gebrek aan procesbelang en toekenning schadevergoeding wettelijke rente
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin een korting op haar WW-uitkering werd toegepast wegens een vermeende benadelingshandeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV nieuwe besluiten nam. Appellante stelde dat het UWV haar onterecht korting had gegeven en eiste schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep van appellante zich uitsluitend richtte tegen een besluit dat niet meer werd gehandhaafd, waardoor zij geen belang meer had bij de behandeling van het hoger beroep en dit niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Wel werd het besluit van 22 november 2006 vernietigd omdat het niet op het verzoek om schadevergoeding besliste.
De Raad kende appellante een vergoeding toe van wettelijke rente over de achterstallige betalingen vanaf 1 februari 2003, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij zodanig geestelijk leed had geleden dat dit een aantasting van haar persoon vormde. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.