ECLI:NL:CRVB:2007:BB5914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige beoordeling beperkingen
Appellante ontving sinds 25 juni 2002 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, waarop het UWV haar uitkering per 13 oktober 2003 introk. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Utrecht. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van de geschiktheid van de voor haar geselecteerde functies.
In hoger beroep stelt appellante dat haar beperkingen zijn toegenomen en dat zij de functies niet kan vervullen. Het UWV handhaafde het besluit en motiveerde uitgebreid waarom de functies passend zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de beperkingen van appellante niet onjuist heeft vastgesteld en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen dat appellante meer beperkt is dan aangenomen.
De Raad bevestigt dat het UWV rekening heeft gehouden met klachten en diagnoses, waaronder fibromyalgie, en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst adequaat is aangepast. De onderbouwing van de geschiktheid van de functies is voldoende inzichtelijk en controleerbaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.