ECLI:NL:CRVB:2007:BB6032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering en in stand laten rechtsgevolgen
Appellante, werkzaam als cateringmedewerkster, viel op 10 februari 2003 uit wegens lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, waarna een WAO-uitkering werd geweigerd. Na bezwaar en aanvullende medische informatie werd de arbeidsongeschiktheid herzien naar 15-25%, wat leidde tot een aangepast besluit.
Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het UWV voldoende rekening had gehouden met haar klachten en beperkingen. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar beperkingen ernstiger waren en dat zij bepaalde functies niet kon vervullen.
De Raad oordeelt dat het UWV de beperkingen niet onjuist heeft vastgesteld en het onderzoek zorgvuldig is geweest, mede door aanvullend medisch onderzoek en aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst. Wel constateert de Raad dat het UWV pas bij het hoger beroep een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering heeft gegeven over de geschiktheid van de voorgehouden functies.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV inmiddels een toereikende motivering heeft gegeven. Tevens wordt appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.