ECLI:NL:CRVB:2007:BB6107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding Plavix bij behandeling herseninfarcten zonder bewezen intolerantie acetylsalicylzuur
Appellant, bekend met recidiverende herseninfarcten, gebruikte aanvankelijk acetylsalicylzuur, maar kreeg later een combinatie met Plavix voorgeschreven. Hij verzocht CZ om vergoeding van Plavix, die werd geweigerd omdat vergoeding alleen mogelijk is bij intolerantie voor acetylsalicylzuur. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij maagklachten kreeg van acetylsalicylzuur en vreest voor ernstige bijwerkingen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij intolerant of overgevoelig is voor acetylsalicylzuur. Ook ontbrak een medische verklaring die dit bevestigde. Het beroep van appellant werd door de Centrale Raad van Beroep behandeld, waarbij appellant stelde dat het niet gebruiken van Plavix levensbedreigend zou zijn.
De Raad oordeelde dat het geneesmiddelenvergoedingssysteem een limitatief systeem is en dat de voorwaarde voor vergoeding van Plavix strikt moet worden toegepast. De Raad vond geen bewijs voor intolerantie of overgevoeligheid en concludeerde dat CZ de vergoeding terecht had geweigerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De vergoeding van Plavix wordt geweigerd omdat appellant geen bewezen intolerantie of overgevoeligheid voor acetylsalicylzuur heeft aangetoond.