ECLI:NL:CRVB:2007:BB7236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het pachtersvoordeel bij vaststelling inkomsten uit arbeid voor Waz-toepassing
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht het pachtersvoordeel heeft betrokken bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van appellant over de periode van 1 mei 1999 tot 1 mei 2000, en bij de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 1 mei 2002.
De rechtbank Alkmaar oordeelde dat het UWV de fiscale keuze van appellant omtrent het pachtersvoordeel correct heeft gevolgd, conform vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Appellant stelde dat een andere fiscale keuze mogelijk was geweest, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid gezien die afwijkt van de hoofdregel dat de fiscale keuze bindend is.
De Raad voegde toe dat het pachtersvoordeel voortvloeit uit de bedrijfsuitoefening van appellant en dat het feit dat dit voordeel niet in verhouding stond tot de verrichte arbeid of geen geldstroom opleverde, niet doorslaggevend is bij de toepassing van artikel 58 Waz Pro.
Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant, waarmee het UWV in het gelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht het pachtersvoordeel meegenomen bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid.