ECLI:NL:CRVB:2007:BB7259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB als alleenstaande. Het College beëindigde de bijstand per 1 september 2004 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar echtgenoot, met wie zij niet duurzaam gescheiden leefde. Tevens werd de bijstand over de periode 1997-2004 herzien en teruggevorderd tot een bedrag van €77.791,25.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond, maar vernietigde het besluit van 25 augustus 2005 omdat het College een onjuiste wettelijke maatstaf hanteerde. De rechtbank oordeelde echter dat appellante en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden, waardoor de intrekking en terugvordering terecht waren.
In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitspraak. De Raad stelt dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat partijen hun leven als gehuwd niet meer gezamenlijk leiden en deze toestand bestendig is. Dit was niet het geval. Appellante heeft geen melding gemaakt van haar gezamenlijke huishouding, wat in strijd is met haar inlichtingenverplichting. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering bevestigd.