ECLI:NL:CRVB:2007:BB7754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Weigering immateriële schadevergoeding wegens niet-overschrijding redelijke termijn in WAO-procedure
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem die het besluit van het UWV vernietigde en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees.
De Raad oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden, ondanks vertragingen die deels aan het UWV en deels aan appellante zelf konden worden toegerekend. Het UWV had een nieuw besluit genomen waarbij appellante alsnog een WAO-uitkering werd toegekend met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Gezien dit nieuwe besluit was het oorspronkelijke geschil over de uitkering feitelijk komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet ontvankelijk werd verklaard behalve voor het onderdeel over de immateriële schadevergoeding. Dit onderdeel werd bevestigd, en het hoger beroep werd voor zover dat betreft ontvankelijk verklaard.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 november 2007.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk behalve voor weigering immateriële schadevergoeding, welke wordt bevestigd.