ECLI:NL:CRVB:2007:BB8505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering zonder schending redelijke termijn
Appellant ontving vanaf 1974 een WAO-uitkering die vanaf 1993 werd aangepast vanwege arbeidsinkomsten. Het UWV vorderde bij besluit van 11 juni 2004 een bedrag van €16.248,28 terug dat onverschuldigd was betaald over de periode 1 januari 1999 tot 1 augustus 2002. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelt vast dat appellant niet betwist dat het UWV onverschuldigde betalingen heeft gedaan. Artikel 57 van Pro de WAO verplicht het UWV tot terugvordering, tenzij dringende redenen tot kwijtschelding aanwezig zijn, wat hier niet het geval is. De Raad overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar niet is overschreden omdat de terugvordering pas in 2004 werd ingesteld, nadat het UWV in 2002 op de hoogte was van de relevante inkomsten.
Verder oordeelt de Raad dat de duur van de procedure niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro over het recht op een redelijke termijn. De procedure begon met het bezwaar van appellant in juli 2004 en eindigde met deze uitspraak in november 2007, wat volgens de Raad niet onredelijk lang is. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen en wijst het beroep van appellant af.