ECLI:NL:CRVB:2007:BB9329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7370 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning gedeeltelijke WAZ-uitkering met juiste belastbaarheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem inzake de toekenning van een gedeeltelijke WAZ-uitkering. De kern van het geschil betrof de juiste vaststelling van de belastbaarheid van appellant per 24 januari 2003. De bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg had de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, waardoor appellant niet langer geschikt werd geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor ander werk.

De bezwaararbeidsdeskundige Dekker gebruikte de door Ruitenberg vastgestelde beperkingen om via het Claim Beoordelings en Borgingssysteem (CBBS) de resterende verdiencapaciteit te bepalen. Door een lagere beloning van een van de functies in het CBBS ontstond een relevant verlies aan verdiencapaciteit, wat leidde tot een gedeeltelijke WAZ-uitkering.

De Raad oordeelde dat het onderzoek van Ruitenberg volledig en zorgvuldig was en dat de belastbaarheid niet was onderschat. Het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te laten raadplegen werd afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de belastbaarheid en de toekenning van een gedeeltelijke WAZ-uitkering vanaf 24 januari 2003.

Uitspraak

05/7370 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 november 2005, 04/2078 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.E. Elgersma, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Elgersma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerige weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de Raad van 5 januari 2006, 04/5462 WAZ, gewezen in een eerder geding tussen partijen.
In laatstgenoemde uitspraak heeft de Raad met betrekking tot de datum die in die zaak in geschil was, 13 november 2002, geoordeeld dat het Uwv de belastbaarheid van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet heeft onderschat.
In de onderhavige zaak, waarin de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg in bezwaar eveneens de medische beoordeling heeft gedaan, is tussen partijen in geschil of het Uwv uitgaande van de datum 24 januari 2003 de belastbaarheid van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet heeft onderschat.
Zowel in de onderhavige zaak als in de eerdere zaak heeft Ruitenberg na eigen onderzoek de door de eerste verzekeringsarts opgemaakte Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bijgesteld met als resultaat, dat appellant op grond van de door Ruitenberg vastgestelde beperkingen op psychisch gebied niet langer geschikt werd geacht voor zijn eigen werk als directeur van een in de vorm van een besloten vennootschap gedreven bureau voor werving en selectie van managers maar wel geschikt werd geacht voor ander werk.
Om die reden heeft het door de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker op basis van de door Ruitenberg vastgestelde belastbaarheid geraadpleegde Claim Beoordelings en Borgingssysteem (CBBS), uitgaande van de datum 24 januari 2003, wederom dezelfde functies opgeleverd als in de eerdere zaak.
Uitsluitend omdat één van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, inmiddels een lagere beloning had gekregen in het CBBS, heeft de bezwaararbeidsdeskundige Dekker de resterende verdiencapaciteit verlaagd, waardoor er een voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) relevant verlies aan verdiencapaciteit is ontstaan.
Daarom is bij het thans bestreden besluit van 10 november 2004 appellants bezwaar gegrond verklaard en hem alsnog een uitkering ingevolge de WAZ, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% toegekend met ingang van
24 januari 2003.
Aan de Raad is evenals de rechtbank niet kunnen blijken dat appellants gezondheidstoestand tussen 13 november 2002 en 24 januari 2003 zodanig is gewijzigd dat er twijfel zou kunnen rijzen met betrekking tot de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.
In de gedingstukken zijn voor zulke twijfel geen aanwijzingen te vinden. De enkele omstandigheid dat appellant in januari 2003 zich onder behandeling van de psychiater P. Kars heeft gesteld acht de Raad daarvoor onvoldoende. Wat betreft de noodzaak om een urenbeperking aan te nemen op grond van de behandelingen bij deze psychiater komt de Raad tot geen ander oordeel dan de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft gegeven.
De Raad komt daarom evenals de rechtbank tot de conclusie dat de bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg de belastbaarheid van appellant uitgaande van de datum 24 januari 2003 niet heeft onderschat en dat zijn onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest.
In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onafhankelijk deskundige te raadplegen. Het ter zitting van de Raad gedaan verzoek van de gemachtigde van appellant wijst de Raad af.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL