ECLI:NL:CRVB:2007:BB9332

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5624 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens onderschatting medische beperkingen niet gegrond

Appellant vroeg op 11 december 2002 een Wajong-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door poliomyelitis. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering op grond van een medische beoordeling en een arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische gesteldheid vanaf 1975 slecht was en dat hij niet in staat was de hem voorgehouden functies te vervullen. Het Uwv erkende dat het arbeidskundig onderzoek was gericht op een verkeerde datum, namelijk de zogenaamde effectueringsdatum, in plaats van de juiste datum einde wachttijd.

De Raad oordeelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid vanwege deze onjuiste datum en vernietigde de aangevallen uitspraak en het besluit van 14 januari 2004. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand omdat het arbeidskundig onderzoek alsnog aannemelijk maakte dat appellant in staat was functies te vervullen met een verdiencapaciteit van minimaal het minimumloon.

De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

05/5624 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 juli 2005, 04/484 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 16 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.F.T. de Bruijn-van der Vleuten, werkzaam bij HAB Hulp en Adviesbureau te Helmond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.H. Maas.
Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen voor zaken als de onderhavige waarbij de datum in geding ver in het verleden ligt.
Het Uwv heeft bij brief van 2 augustus 2007 nader verweer gevoerd.
Partijen hebben toestemming gegeven nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren [in] 1951, heeft op 11 december 2002 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Appellant heeft op dit formulier aangegeven dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen op 9 oktober 1952. Appellant is op dat moment getroffen door poliomeyelitis.
Bij besluit van 14 januari 2004 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 31 maart 2003 tot weigering appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft zijn besluit kort samengevat doen steunen op de overweging dat voor appellant op zijn 17e verjaardag dezelfde medische beperkingen golden als op het moment dat hij rondom 1975 zijn studie staakte. Naar de mening van het Uwv was appellant met deze beperkingen in staat functies te vervullen en beschikte hij over een zodanige verdiencapaciteit dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 14 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op minder dan 25% en terecht appellant een Wajong-uitkering heeft geweigerd.
Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat zijn psychische gesteldheid vanaf 1975 slecht is. Naar zijn mening was en is hij niet in staat de hem voorgehouden functies te vervullen.
Het Uwv heeft bij brief van 2 augustus 2007 aangegeven dat de medische beoordeling van appellant die ten grondslag ligt aan het besluit van 14 januari 2004 gericht is geweest op de situatie per einde wachttijd.
De beperkingen van appellant zijn naar de mening van het Uwv juist vastgesteld.
Het arbeidskundig onderzoek is echter ten onrechte gericht op de situatie per de zogenoemde effectueringsdatum, zijnde de datum één jaar voor de datum van de aanvraag.
Het Uwv heeft voorts medegedeeld dat de arbeidsdeskundige alsnog heeft bezien of de appellant voorgehouden functies ook per einde wachttijd als soortgelijke functies voorkwamen. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 juli 2007 is per voorgehouden functie uiteengezet of deze functie ook reeds per einde wachttijd bestond en zo ja, of sprake was van relevante verschillen in de belasting. De arbeidsdeskundige is tot de door het Uwv gevolgde opvatting gekomen dat zes van de zeven voorgehouden functies ook reeds per einde wachttijd voorkwamen.
Het Uwv heeft erop gewezen dat appellant met deze functies het destijds geldende minimumloon had kunnen verdienen en dat er in ieder geval geen sprake van is dat appellant een verlies aan verdiencapaciteit heeft dat groter is dan 25%.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen grond is gelegen om de medische component van het besluit van 14 januari 2004 voor onjuist te houden.
Ook in hoger beroep heeft appellant zijn stelling dat zijn beperkingen van medische aard zijn onderschat niet onderbouwd.
Met betrekking tot de arbeidskundige component van het besluit van 14 januari 2004 overweegt de Raad dat het Uwv bij brief van 2 augustus 2007 terecht heeft aangegeven dat het arbeidskundige onderzoek dat ten grondslag ligt aan dat besluit zich heeft gericht op een onjuiste datum. Het besluit is mitsdien niet voldoende zorgvuldig voorbereid en kan dan ook niet in stand blijven.
Aangezien bij de aangevallen uitspraak het besluit van 14 januari 2004 in stand is gelaten, dient de aangevallen uitspraak eveneens te worden vernietigd.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het Uwv in hoger beroep alsnog een arbeidskundig onderzoek heeft uitgevoerd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd. De conclusie van dit onderzoek, neergelegd in vorenbedoeld rapport van 18 juli 2007, is dat appellant per einde wachttijd niet als arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong kan worden aangemerkt. De Raad is van oordeel dat de arbeidsdeskundige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant per einde wachttijd in staat was om met soortgelijke functies als de aanvankelijk hem voorgehouden functies minimaal het minimumloon te verdienen, zodat een indeling in de klasse minder dan 25% terecht is.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2004 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep tot een
bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM