ECLI:NL:CRVB:2007:BB9364
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot herziening grondslag periodieke WUV-uitkering op maximaal bedrag
Appellante heeft in oktober 1991 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). In 1994 heeft zij een periodieke uitkering toegekend gekregen, waarbij de grondslag werd vastgesteld op het inkomen per 1 oktober 1991. Appellante verzocht bij brief in 2000 om de grondslag alsnog vast te stellen op het maximale bedrag, gebaseerd op haar inkomen in 1994.
De Raad overweegt dat dit verzoek een herzieningsverzoek is op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet. De bestuursrechter toetst terughoudend en kijkt of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die het eerdere besluit in een ander licht plaatsen. De Raad maakt onderscheid tussen het verleden en de toekomst; voor het verleden geldt dat alleen nieuwe feiten tot herziening kunnen leiden.
Verweerster heeft de zaak opnieuw beoordeeld en het verzoek afgewezen. De Raad oordeelt dat de peildatum 1 oktober 1991 terecht is gehanteerd, aangezien appellante toen haar aanvraag deed. Het inkomen na die datum, waaronder salarisverhogingen, is niet relevant voor de grondslag. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot herziening van de grondslag voor de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.