ECLI:NL:CRVB:2007:BB9535

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6415 WTS
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.18 Wet op de InkomstenbelastingWet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering tegemoetkoming onderwijsbijdrage wegens juiste toetsingsinkomen

Appellante stelde beroep in tegen de beslissing van de IB-Groep om geen tegemoetkoming te verlenen voor de onderwijsbijdrage en schoolkosten over het schooljaar 2005-2006. De rechtbank Roermond had reeds geoordeeld dat het toetsingsinkomen voor 2003 en het verlegde peiljaar 2005 juist was vastgesteld, waardoor appellante geen recht had op tegemoetkoming. Tevens was geen sprake van omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat de lopende onderhandelingen met de belastingdienst, die mogelijk tot een correctie van het toetsingsinkomen leiden, geen reden zijn om de beslissing te herzien omdat deze correctie nog niet heeft plaatsgevonden. De financiële situatie van appellante rechtvaardigt volgens de Raad geen toepassing van de hardheidsclausule, aangezien deze alleen geldt bij onvoorziene gevolgen van de wet, wat hier niet aan de orde is.

De Raad benadrukte dat de tegemoetkoming afhankelijk is van het toetsingsinkomen, gebaseerd op het gecorrigeerd verzamelinkomen volgens artikel 2.18 van de Wet op de Inkomstenbelasting, en niet van het bedrag waarover appellante feitelijk beschikt. De aangevallen uitspraak wordt derhalve bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de tegemoetkoming onderwijsbijdrage wegens correct vastgesteld toetsingsinkomen en geen toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

06/6415 WTS
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2006, 05/1891 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Aarle, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Van Aarle en mr. M.J.A.M. Tonnaer, bewindvoerder. De IB-groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat voor vernietiging van de besluiten van de IB-Groep van 27 oktober 2005 en 29 december 2005 geen aanleiding bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de IB-Groep terecht geweigerd appellante, in verband met het onderwijs van haar dochter, voor het schooljaar 2005-2006 een tegemoetkoming in het kader van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) te verstrekken. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is kunnen blijken dat de IB-Groep het toetsingsinkomen voor 2003 en voor het verlegde peiljaar 2005 onjuist heeft vastgesteld, dat op basis van dit toetsingsinkomen geen recht op een tegemoetkoming bestaat en dat de IB-Groep terecht tot het oordeel is gekomen dat van een situatie waarin de hardheidsclausule kan worden toegepast geen sprake is.
De door appellante in hoger beroep ingediende gronden treffen geen doel.
Hetgeen door appellante is gesteld is gebaseerd op het bedrag dat appellante maandelijks ter beschikking heeft, doch gaat eraan voorbij dat – zoals in de aangevallen uitspraak terecht is aangegeven – de tegemoetkoming afhankelijk is van het toetsingsinkomen. Voor de bepaling van het toetsingsinkomen is, kort samengevat, van belang het gecorrigeerd verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet op de Inkomstenbelasting en niet het bedrag waarover appellante feitelijk maandelijks de beschikking heeft, of zou moeten hebben.
Dat appellante in onderhandeling is met de belastingdienst en dat het ernaar uitziet dat een correctie zal plaatsvinden met als gevolg dat het toetsingsinkomen zodanig zal dalen dat wel recht op een tegemoetkoming ontstaat, doet aan het vorenstaande niet af, reeds omdat deze gebeurtenis zich thans – laat staan voordat de IB-Groep tot afsluitende besluitvorming is gekomen – nog niet heeft voltrokken.
Het standpunt van appellante dat de benarde financiële situatie waarin zij verkeert aanleiding dient te zijn voor de toepassing van de hardheidsclausule gaat eraan voorbij dat voor toepassing van deze clausule slechts aanleiding bestaat in een geval waarin de uitvoering van de wet leidt tot gevolgen die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet heeft voorzien. Hiervan is in dit geval, gelet op vorenbedoelde keuze van de wetgever om aansluiting te zoeken bij het toetsingsinkomen, geen sprake.
De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M. Lochs.
MR