ECLI:NL:CRVB:2007:BB9548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5625 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omzetting prestatiebeurs in gift wegens dwingende regelgeving

Appellante, de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, weigerde de prestatiebeurs van betrokkene over de periode september 1998 tot en met november 2003 om te zetten in een gift. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard omdat appellante onjuiste informatie had verstrekt over de omzetting van de prestatiebeurs.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geen recht bestaat op omzetting van de prestatiebeurs in een gift voor de in geschil zijnde periode. Hoewel appellante onjuiste mededelingen heeft gedaan in een brief van 30 maart 2004, had betrokkene uit eerdere correspondentie en informatiemateriaal moeten begrijpen dat deze mededeling berustte op een misverstand over de duur van de opleiding.

De Raad benadrukt dat de regelgeving omtrent omzetting dwingend is en dat de hardheidsclausule in de Wsf 2000 geen basis biedt voor afwijking van deze dwingende bepalingen. Er is geen sprake van een bijzonder geval waarin strikte toepassing van de wet onredelijk zou zijn. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering omzetting prestatiebeurs in gift blijft in stand.

Uitspraak

06/5625 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2006, 05/1199 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene],
en
appellante.
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, gevestigd te Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 9 januari 2005 heeft appellante voor zover in dit kader van belang geweigerd de prestatiebeurs van betrokkene over de periode van september 1998 tot en met november 2003 om te zetten in een gift en betrokkene medegedeeld dat zij de prestatiebeurs over die periode na haar studie dient terug te betalen.
Het door betrokkene tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 16 augustus 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 16 augustus 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen en beslissingen genomen omtrent griffierecht en proceskosten.
Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat betrokkene op een brief van appellante van 30 maart 2004 de verwachting mocht baseren dat haar prestatiebeurs volledig in een gift zou worden omgezet. In de omstandigheid dat appellante niet heeft bezien of een en ander met zich mee brengt of (deels) tot omzetting van de prestatiebeurs moet worden overgegaan is het besluit van 16 augustus 2005 naar het oordeel van de rechtbank tot stand gekomen in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Partijen worden in hoger beroep slechts verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of appellante bij betrokkene het rechtens te honoreren vertrouwen heeft opgewekt dat de prestatiebeurs over de periode september 1998 tot en met november 2003 – na het behalen van het diploma – wordt omgezet in een gift.
Appellante bestrijdt in hoger beroep niet dat door haar aan betrokkene bij brief van 30 maart 2004 onjuiste mededelingen zijn gedaan omtrent de mogelijkheden tot omzetting van de aan betrokkene toegekende prestatiebeurs. In deze brief is ten onrechte aan betrokkene medegedeeld dat indien zij voor 1 september 2006 een diploma van haar huidige opleiding haalt – onder andere – omzetting van de prestatiebeurs over de thans in geding zijnde periode kan plaatsvinden. Naar de mening van appellante heeft betrokkene moeten begrijpen dat deze mededeling op een misverstand berustte over de (duur van de) opleiding die zij volgde. Appellante heeft erop gewezen dat zij betrokkene op haar verzoek bij brief van 17 januari 2001 de systematiek van de omzetting van de prestatiebeurs in een gift heeft uiteengezet. In deze brief is onder andere vermeld dat de cursusduur behorend bij het behaalde diploma hoger onderwijs bepalend is voor het totaal aantal maanden dat kan worden omgezet. Voorts heeft appellante gewezen op het informatiemateriaal dat door haar wordt verstrekt waaruit dit eveneens blijkt.
Nu betrokkene een opleiding volgde met een cursusduur van 24 maanden had betrokkene naar de mening van appellante moeten begrijpen dat de mededeling in de brief van 30 maart 2004, die er kort samengevat op neerkomt dat een omzetting zal plaatsvinden van aanzienlijk meer dan 24 maanden, op een misverstand berustte.
Appellante acht het dan ook niet aangewezen dat betrokkene in strijd met de in de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) opgenomen voorschriften in aanmerking moet worden gebracht voor een omzetting van de prestatiebeurs in een gift.
De Raad overweegt als volgt.
De gevallen waarin en de wijze waarop omzetting van een prestatiebeurs in een gift plaatsvindt zijn in de Wsf 2000 dwingend voorgeschreven. Voor afwijking van zo’n voorschrift is in beginsel geen plaats.
De in de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule biedt geen basis voor afwijking van een dwingend voorschrift. Voor toepassing van deze clausule bestaat slechts aanleiding in een geval waarin de uitvoering van de wet leidt tot gevolgen die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet heeft voorzien. Hiervan is in dit geval geen sprake. Onverkorte uitvoering van de wet leidt juist tot hetgeen de wetgever heeft beoogd.
Afwijking van het vorenbedoelde voorschrift is slechts denkbaar in het zeer bijzondere geval dat strikte toepassing van dwingend wettelijke bepalingen in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.
Van een bijzonder geval als hier bedoeld kan in ieder geval geen sprake zijn indien niet op zijn minst door appellante door het doen van ondubbelzinnige en eenduidige mededelingen een situatie is geschapen waarin betrokkene er met recht van kan uitgaan aanspraak te hebben op een prestatie van appellante.
Van een zodanige situatie is in dit geval geen sprake. Niet in geschil is dat de brief van appellante aan betrokkene van 30 maart 2004 onjuiste informatie omtrent de omzetting van de prestatiebeurs van betrokkene bevat. Betrokkene had echter uit eerdere correspondentie, waaronder de brief van appellante aan betrokkene van 17 januari 2001 en het door appellante ter beschikking gestelde informatiemateriaal kunnen en moeten begrijpen dat de mededeling in de brief van 30 maart 2004 berustte op een misverstand over de (duur van de) opleiding die betrokkene volgde.
Het hoger beroep van appellante treft mitsdien doel.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat op basis van de ter zake in de Wsf 2000 opgenomen voorschriften geen recht op de in geding zijnde omzetting bestaat, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dient het beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M. Lochs.
MR