ECLI:NL:CRVB:2007:BB9611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding termijn bij intrekking WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 6 mei 2003, waarbij zijn WAO-uitkering werd ingetrokken wegens het niet verschijnen bij een verzekeringsarts. Het bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat hij voor langere tijd in het buitenland verbleef en het UWV zijn buitenlandse adres als verblijfsadres had moeten beschouwen. Tevens ontkende hij een uitnodiging voor een gesprek met de verzekeringsarts te hebben ontvangen. De Raad overwoog dat appellant zelf verantwoordelijk was voor het treffen van maatregelen ter behartiging van zijn belangen tijdens zijn verblijf in het buitenland.
De Raad vond geen gronden om het bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Het bezwaar bleef daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.