AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant, met de Egyptische nationaliteit, vroeg op 22 juni 2005 een bijstandsuitkering aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef zoals bedoeld in artikel 8 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, waardoor hij niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens artikel 11 WWBPro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat ook internationale verdragen zoals het IVBPR en IVESCR geen recht op bijstand verschaffen in deze situatie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de weigering in strijd was met redelijkheid en billijkheid en dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt. Tevens stelde hij dat de weigering discriminerend was en verwees naar internationaalrechtelijke bepalingen met reflexwerking. De Raad overwoog echter dat artikel 11 WWBPro geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat de door appellant genoemde verdragen niet direct toepasbaar zijn in de nationale rechtsorde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 21 november 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft en niet tot de kring van rechthebbenden behoort.
Uitspraak
06/6031 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 oktober 2006, 06/699 (hierna:
aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: het dagelijks bestuur).
Datum uitspraak: 21 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 oktober 2007. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet werk en bijstand (WWB) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant heeft op 22 juni 2005 een aanvraag om een uitkering ingevolge de WWB ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 30 juni 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 april 2006 (hierna: bestreden besluit), afgewezen op de grond dat appellant niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 vanPro de WWB. Het dagelijks bestuur heeft dit standpunt gebaseerd op het feit dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, terwijl hij evenmin op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ, WVG en WWIK gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe:
“Niet in geschil is dat eiser de Egyptische nationaliteit heeft en niet beschikt over een verblijfsvergunning in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Hiermee kan eiser niet op grond van artikel 11, tweede lid, WWB worden gelijkgesteld met de Nederlander als bedoeld in artikel 11, eerste lid, WWB. Van een dergelijke gelijkstelling kan evenmin sprake zijn op grond van het bepaalde in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen, nu dit besluit enkel betrekking heeft op procedures die zien op voortzetting van het verblijfsrecht nadat de vreemdeling reeds rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Niet in geschil is dat van een dergelijke procedure hier geen sprake is.
De beweerde strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid kan aan het vorenstaande niet afdoen nu in dit opzicht geen sprake is van in het bestuursrecht erkende rechtsbeginselen welke ertoe kunnen leiden dat een wettelijke bepaling buiten toepassing wordt gelaten. De stelling dat eiser meer dan 10 jaren in Nederland verblijft en alhier legale arbeid heeft verricht maakt het vorenstaande evenmin anders, nu eiser hieraan niet het recht kan ontlenen dat hij in voornoemde zin met een Nederlander moet worden gelijkgesteld.
Voor wat betreft het beroep van eiser op het bepaalde in de artikelen 2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is de rechtbank, in navolging van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van oordeel dat weigering van bijstand op grond van artikel 11, tweede of derde lid, WWB niet in strijd is met deze verdragsbepalingen.
Met betrekking tot het beroep van eiser op het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) is de rechtbank, in navolging van de jurisprudentie van de CRvB, van oordeel dat de bepalingen van dat verdrag niet kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van bedoelde bepalingen is daarin veeleer sprake van algemeen geformuleerde sociale doelstellingen, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen.”
4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de weigering hem een uitkering ingevolge de WWB te verlenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals deze hun weerslag hebben gevonden in artikel 3:4 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet toelaatbaar kan worden geacht. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Appellant, die niet heeft betwist dat hij nooit heeft beschikt over een verblijfsvergunning, heeft verder gesteld dat de weigering hem gelijk te stellen met een Nederlander discriminatoir is, waarbij hij met name heeft gewezen op de reflexwerking van de door hem genoemde internationaalrechtelijke bepalingen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Wat betreft de vraag of appellant behoort tot de kring van rechthebbenden op een uitkering ingevolge de WWB onderschrijft de Raad de onder 3 aangehaalde overwegingen van de rechtbank volledig. De Raad voegt hieraan toe dat artikel 11 vanPro de WWB geen ruimte biedt voor de door appellant gewenste belangenafweging. Appellants beroep op artikel 3:4 vanPro de Awb kan dan ook niet slagen.
Aan de stelling van appellant dat de door hem genoemde verdragen reflexwerking hebben gaat de Raad voorbij, nu appellant die stelling niet heeft onderbouwd.
5.2. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, als voorzitter en
C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007.