ECLI:NL:CRVB:2007:BB9626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellante was werkzaam als productiemedewerker en haar arbeidsovereenkomst werd per 1 mei 2005 ontbonden via een vaststellingsovereenkomst, waarbij zij een vergoeding ontving. Het UWV weigerde haar WW-uitkering blijvend geheel omdat zij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door mee te werken aan haar ontslag, ondanks dat er geen onderzoek was gedaan naar de beschikbaarheid van passend werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende heeft onderzocht of er daadwerkelijk geen functies beschikbaar waren en of appellante redelijkerwijs kon worden gevergd de beëindiging van haar dienstverband tegen te houden.
De Raad stelt dat het enkele ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst niet voldoende is om verwijtbaarheid aan te nemen. Het besluit is niet zorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd, zodat het besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.