ECLI:NL:CRVB:2007:BB9632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door plichtsverzuim
Appellante was van 1989 tot 2005 in dienst bij een hotel en kreeg haar arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verschil van inzicht over haar werkuitvoering. Na haar ontslag vroeg zij een WW-uitkering aan, die het UWV bij wijze van maatregel blijvend geheel weigerde wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte zij verwijtbare werkloosheid en stelde zij recht te hebben op een gedeeltelijke uitkering vanwege haar lange dienstverband en het feit dat het ontslag niet uitsluitend aan haar te wijten was. Tevens stelde zij dat het UWV onvoldoende had onderzocht of dringende redenen bestonden om de maatregel achterwege te laten.
De Raad oordeelde dat appellante zich herhaaldelijk schuldig maakte aan plichtsverzuim, zoals te laat komen, voortijdig vertrekken, eigenmachtig roosterwijzigingen en het niet aanwezig zijn bij Arbo-controles, wat leidde tot kortingen op haar ziekengeld. Ondanks waarschuwingen en dreiging met ontslag verbeterde zij haar gedrag niet. Er waren geen objectieve gegevens die het beeld van verwijtbaarheid konden weerleggen.
De Raad stelde vast dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar gedrag tot ontslag zou leiden en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd. Dringende redenen om hiervan af te wijken werden niet aangetoond. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door plichtsverzuim.