ECLI:NL:CRVB:2007:BB9734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering wegens niet-rechtmatig verblijf en ontbreken tewerkstellingsvergunning
Appellant heeft op 6 mei 2005 een WW-uitkering aangevraagd, die bij besluit van 29 juli 2005 werd ontzegd omdat hij geen werknemer was in de zin van de WW. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant geen verblijfsrecht had en geen tewerkstellingsvergunning beschikte, waardoor hij niet als werknemer kon worden aangemerkt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning toch als werknemer moest worden beschouwd vanwege zijn arbeidsovereenkomst, het afdragen van premies en het beschikken over een sofi-nummer. Tevens stelde hij dat het niet aanvragen van een tewerkstellingsvergunning door zijn werkgever hem niet mocht worden tegengeworpen en dat de rechtbank de redelijkheid en billijkheid onvoldoende had meegewogen.
De Raad overwoog dat artikel 3 van Pro de WW geen ruimte biedt om appellant als werknemer aan te merken op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden. Ook het beroep op artikel 3:4 van Pro de Awb werd verworpen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De ontzegging van de WW-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en een tewerkstellingsvergunning.